AA 10/06

De kinderbijslagwetgeving terug in overeenstemming brengen met artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde en zo een einde stellen aan de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde discriminatie tussen sociaal verzekerden die erin bestaat dat de kinderbijslaginstellingen voor werknemers gedurende een jaar de kinderbijslag kunnen terugvorderen die onterecht is betaald door een aan hen toe te schrijven vergissing terwijl het Handvest dergelijke terugvordering in dezelfde omstandigheden onmogelijk maakt voor de andere instellingen van sociale zekerheid.

Wanneer een instelling van sociale zekerheid zich vergist bij de toekenning van een uitkering, de sociaal verzekerde niet op de hoogte is van de vergissing en uit de nieuwe berekening blijkt dat de uitkering lager moet zijn, dan kan de nieuwe beslissing met de juiste toekenning pas uitwerking hebben op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan. Deze basisregel zit vervat in artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde en geldt in principe voor alle instellingen van sociale zekerheid. Concreet wil dit zeggen dat er in die gevallen geen terugvordering mogelijk is.

In de kinderbijslagregeling voor werknemers is dit artikel van het Handvest van de sociaal verzekerde buiten werking gesteld door de programmawet van 20 juli 2006. Die wet heeft de kinderbijslagwet gewijzigd zodat vanaf 1 oktober 2006 ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag altijd kan teruggevorderd worden tot een jaar na de uitbetaling, ook in geval van fout van het kinderbijslagfonds.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt echter dat een wetswijziging na de aanneming van het Handvest van de sociaal verzekerde die een op een socialezekerheidssector toepasselijke reglementering invoert, of die invoering tot gevolg heeft, die voor de verzekerde minder gunstig is dan die welke in het algemeen is opgenomen in het Handvest, onder de sociaal verzekerden een verschil in behandeling in het leven roept dat enkel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaanbaar kan worden geacht op voorwaarde dat er een relevante specifieke verantwoording voor bestaat.


Verder stelt het Grondwettelijk Hof dat het ingewikkelde karakter van het administratieve beheer waarvoor de kinderbijslagfondsen instaan, als gevolg van het feit dat de gezinsituaties veranderlijk zijn, niet kan verantwoorden dat de begunstigde van ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag die heeft geïnd als gevolg van een vergissing van het uitkerende fonds, terwijl hij zich daarvan geen rekenschap kon geven, gedurende één jaar ertoe gehouden is de bedragen terug te betalen die hij ten onrechte heeft geïnd, terwijl de begunstigden van andere sociale uitkeringen die in dezelfde omstandigheden ten onrechte werden geïnd, niet ertoe zijn gehouden die terug te betalen. In de beoogde hypothese heeft de begunstigde immers geen enkele vergissing begaan en was het kinderbijslagfonds correct geïnformeerd over zijn gezinssituatie. De beheersmoeilijkheden als gevolg van het veranderlijke karakter van de gezinsituaties waarmee rekening moet worden gehouden, kunnen in die situatie dus niet de oorzaak van de onverschuldigde betaling vormen. Zij kunnen dan ook niet verantwoorden dat de gevolgen van een vergissing van de schuldenaar van de uitkeringen bij de toekenning ervan, ten laste van de sociaal verzekerde worden gelegd.

Bovendien oordeelde het Grondwettelijk Hof dat “gedurende een volledig jaar een terugvordering toestaan van bedragen die als gevolg van een vergissing van de uitkerende instelling werden uitbetaald, dan ook onevenredige gevolgen dreigt te hebben voor de uitkeringsgerechtigden die geen enkele fout of nalatigheid kan worden verweten.

Het Grondwettelijk Hof concludeerde in het kader van de voorgelegde prejudiciële vraag: Artikel 120bis van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, samengeordend op 19 december 1939, zoals het is vervangen bij artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de kinderbijslaginstellingen toestaat de kinderbijslag gedurende een jaar terug te vorderen die, door een aan de instellingen toe te schrijven vergissing, ten onrechte aan hun aangeslotenen is uitbetaald, voor zover de per vergissing gecrediteerde persoon niet wist of niet moest weten dat hij geen of niet langer recht had op de uitgekeerde bijslag, geheel of gedeeltelijk.

Ofschoon het artikel 120bis niet in overeenstemming met de Grondwet bevonden werd, is het in de rechtsorde blijven bestaan en moeten de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers en de kinderbijslagfondsen het verder toepassen zolang de wetgever het niet heeft aangepast terwijl de Arbeidsgerechten de toepassing ervan telkens opnieuw kunnen weigeren op basis van het arrest van het Grondwettelijk Hof voor ieder individueel geval dat hen voorgelegd wordt.

De federale Ombudsman beveelt dan ook aan om de kinderbijslagwet terug in overeenstemming te brengen met artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde om de vastgestelde discriminatie weg te werken.

 

Resultaat 


Door de artikelen 49 en 57 van de programmawet van 28 juni 2013 wordt de verjaringstermijn van een jaar, voor de terugvordering van onverschuldigde betaalde bedragen die het gevolg zijn van een administratieve fout, geschrapt. Deze wijziging is in werking getreden op 1 januari 2014. In die gevallen moet artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde toegepast worden.

 

Bijgewerkt op 27 november 2014