de federale Ombudsman stelt zijn Jaarverslag 2008 voor

Voorstelling jaarverslag '08 - 25 maart 2009

Het jaar 2008 bevestigt een trend van de laatste jaren: het aantal klachten bij de federale Ombudsman blijft in stijgende lijn gaan. In 2008 werden er bijna 5 500 nieuwe dossiers aangelegd. Het aantal klachten steeg met 9% tegenover 2007 en met 27%  tegenover 2006. Dit maakt dat er in 2008 bijna 1 000 klachten meer ingediend zijn dan twee jaar geleden.

Het jaar 2008 bracht ook enkele nieuwigheden.

Sinds 1 oktober 2008 kan de burger gratis bellen naar de federale Ombudsman op het 'groene' telefoonnummer 0800 99 962. Dit gratis nummer moet de drempel voor de burger verlagen en zo de toegankelijkheid van de instelling verbeteren.

In de loop van het jaar werd een nieuw logo en een nieuwe huisstijl ingevoerd. Het logo vat - in woord en beeld - gebald samen waar de instelling voor staat: 'de federale Ombudsman, een brug tussen burger en overheid', met een driedimensionale brug die de rol van de federale Ombudsman als bruggenbouwer tussen de burger, de administratie en het parlement symboliseert.

De webstek van de federale Ombudsman die al bestaat sinds 1999 is dringend aan vernieuwing toe. Samen met het nieuwe logo werd in 2008 een nieuwe webstek ontworpen die binnen enkele weken operationeel zal zijn.

Op 28 februari 2008 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers ons gevraagd om onderzoek te verrichten naar de werking van de gesloten centra van de dienst Vreemdelingenzaken en van de open centra van Fedasil. De onderzoeken zijn afgerond en de verslagen worden binnenkort aan de Kamer voorgelegd.

I. Enkele cijfergegevens voor 2008

Nieuwe dossiers


In 2008 heeft de federale Ombudsman 5 466 nieuwe dossiers geopend: 957 informatievragen en 4 509 klachten.

Dit is het grootste aantal nieuwe dossiers dat geregistreerd werd sinds de oprichting van de federale Ombudsman twaalf jaar terug. 

Het aantal klachten is in 2008 met 9% toegenomen ten opzichte van 2007. In vergelijking met 2006 zijn er ongeveer 1 000 klachten bijgekomen, een stijging met 27% op twee jaar tijd.

Tijdens de voorbije twaalf jaar legde de federale Ombudsman 45 381 dossiers aan, waarvan 35 991 klachten.

Waren de klachten gegrond?


In 48% van de gevallen was er een reden om de federale Ombudsman aan te spreken. Hierbij werd er in 32% een tekortkoming bij de overheid vastgesteld (gegrond of gedeeltelijk gegronde klachten) en in 16% van de gevallen werd er een poging tot bemiddeling ondernomen zonder dat de gegrondheid van de klacht uitdrukkelijk moest beoordeeld worden.

Minder dan 1/3de van de klachten was niet gegrond (28,6%).

Bij iets meer dan 1/5de werd de gegrondheid van de klacht om verschillende redenen niet geëvalueerd, meestal omdat de klacht vanzelf opgelost geraakte of omdat de klager niet de nodige informatie verschafte.

Waar wringt het schoentje bij een gegronde klacht?


In 41,2% van de gevallen werd de 'redelijke termijn' overschreden, terwijl dit nog 57,7% was in 2007. Het ruime aandeel van de 'redelijke termijn' binnen de weerhouden ombudsnormen valt deels, maar in beduidend mindere mate dan de vorige jaren, te verklaren door de lange behandelingsduur van de aanvragen tot regularisatie van verblijf bij de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ).

Dit jaar was er een toename van de gevallen waarin de administratie onzorgvuldig te werk ging (12,9%) of waarin haar beslissingen niet in overeenstemming waren met de rechtsregels (10,4%).

De toename, in vergelijking met 2007 van de schendingen van het 'vertrouwensbeginsel' en het 'rechtszekerheidsbeginsel' is voornamelijk te verklaren door 85 klachten over de omruiling van de dienstencheques. Hiervoor werden de spelregels van de ene dag op de andere ingrijpend veranderd zonder overgangsmaatregelen.

Was de tussenkomst van de federale Ombudsman doeltreffend?

 

87% van de in 2008 afgesloten klachten werd met succes afgerond.
Ofwel zorgde de administratie voor een geheel of een gedeeltelijk herstel, ofwel werd het probleem van de burger met een consensus opgelost.

Behandelingsduur van de in 2008 afgesloten ontvankelijke klachten


De gemiddelde behandelingsduur werd  nog verbeterd.

Het percentage dossiers dat binnen het jaar werd afgesloten is gestegen van 82,7% naar 89,4%.

De top van de curve voor de behandelingsduur ligt nu op 30 dagen, terwijl dit in 2007 nog 90 dagen was.

Over welke overheidsinstellingen klagen de mensen het meest bij de federale Ombudsman?


Het is geen verrassing dat de drie sectoren die een directe impact hebben op het leven van de burgers altijd de meeste klachten genereren: het aandeel van de  klachten over de toepassing van de wet op het verblijf en de verwijdering van de vreemdelingen is van bijna 41% vorig jaar teruggevallen tot 33% in 2008, de fiscaliteit levert ongeveer 28% van de klachten op en de sociale sector is goed voor 25%.

II. Wat blijkt er uit de door de federale Ombudsman onderzochte klachten?

1. Automatisering, technologie en standaardprocedures moeten de werking van de administratie verbeteren


De klachten tonen aan dat de ingebruikname van nieuwe technologieën of standaardprocedures het leven van de burger niet altijd vergemakkelijken.

De nieuwe elektronische identiteitskaart


Nog niet iedereen is overtuigd van het nut van de elektronische identiteitskaart, vooral niet wanneer de chip loskomt ...

Twee voorbeelden:

De chip van de elektronische identiteitskaart van de heer Pasmans is losgekomen. Hij moet een nieuwe kaart betalen. De FOD Binnenlandse Zaken zegt dat hij zijn kaart onzorgvuldig heeft gebruikt. De heer Pasmans begrijpt er niets van. Hij bewaart de kaart in een plastiek hoesje in zijn portefeuille en gebruikt de kaart eerder uitzonderlijk: eenmaal per jaar bij een grenscontrole, om een kopie ervan aan de bank te geven en om boeken bij de bibliotheek te ontlenen. Volgens de FOD Binnenlandse Zaken zit er een deuk in zijn identiteitskaart, wat wijst op onzorgvuldig gebruik. Volgens de gemeente zou dat het gevolg zijn van het feit dat de heer Pasmans zijn portefeuille doorgaans in de achterzak van zijn broek draagt. De heer Pasmans vraagt of hij als man nu verplicht is om een jas te dragen (met een zak die groot genoeg is voor zijn portefeuille) of om voortaan een (hand)tas te dragen?


Zo de administratie meent dat de elektronische identiteitskaart beschadigd werd door een onzorgvuldig gebruik ervan, dan moet zij dit op een afdoende wijze motiveren en de burger hierover informeren.

Als kan aangetoond worden dat het loskomen van de chip het gevolg is van een productiefout, dan is dat een gebrek aan de identiteitskaart. Als dit gebrek schade veroorzaakt, moet de administratie de schade vergoeden.

Door het loskomen van de chip op zijn elektronische identiteitskaart kan de heer Willems zijn gezin niet vergezellen op reis naar Tunesië. Hij kan pas twee dagen later vertrekken na het verkrijgen van een paspoort via de snelprocedure. Na de tussenkomst van de federale Ombudsman bevestigt de FOD Binnenlandse Zaken dat de heer Willens recht heeft op de terugbetaling van de geleden schade als gevolg van een productiefout van de elektronische identiteitskaart. Hij ontvangt een bedrag van 1 332,96 euro dat de kostprijs vertegenwoordigt van de internationale reispas via de versnelde procedure, het extra vliegtuigticket, de verlenging van het verblijf in het hotel voor twee dagen, het uitstellen van de terugvlucht en een extra treinticket.

De onmiddellijke inning van verkeersboetes


Bij een aantal inbreuken op de verkeersreglementering worden voorstellen tot onmiddellijke inning gedaan. Deze worden betaald op een rekening bij de Bank van De Post, met een dagelijks gemiddelde van ongeveer 10 000 betalingen. Een zeker automatisme bij de organisatie van de verwerking van deze betalingen is dan ook onvermijdelijk.

De geautomatiseerde verwerking vereist natuurlijk een minimum aan medewerking van diegene die de boete moet betalen. Hij wordt er dan ook uitdrukkelijk op gewezen dat een betaling zonder vermelding van de referte, niet gelinkt kan worden aan de boete en dat het Parket in dat geval vervolging zal instellen. Het voorbeeld op pagina 41 van het jaarverslag toont aan dat dit laatste geen loze woorden zijn.

Bij schatting gebeuren er dagelijks 400 betalingen die niet aan een welbepaalde boete kunnen gekoppeld worden. Die vormen samen een gigantisch bedrag, waarbij de fiscus de terugbetalingen enkel doet in opdracht van het Parket.

2. De Belgische Staat had een veroordeling kunnen vermijden indien hij de aanbeveling van de federale Ombudsman had gevolgd

 

De verwijdering van vreemdelingen


Drie problematieken waarbij de administratie tot nog toe weigerde om zich te schikken naar de aanbevelingen van de federale Ombudsman kenden een vervolg voor de hoven en rechtbanken die zich aansloten bij zijn bevindingen:

- In een arrest van 24 januari 2008 veroordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het vasthouden van vreemdelingen in de transitzone van de luchthaven Brussel-Nationaal en verwees daarin uitdrukkelijk naar de conclusies die de federale Ombudsman reeds in 2004 getrokken had uit de feiten. De bevoegde minister stelde dan ook paal en perk aan deze praktijk.

- In twee arresten van juli 2008 oordeelde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zeer duidelijk dat de dienst Vreemdelingenzaken geen bevel om het grondgebied te verlaten mag betekenen aan de asielzoeker zolang een aanvraag om machtiging tot verblijf hangende is. De federale Ombudsman had dit al in 2006 aanbevolen aan de dienst Vreemdelingenzaken. Uiteindelijk stemde de dienst Vreemdelingenzaken er nu toch mee in om geen bevel om het grondgebied te verlaten te betekenen zolang een vraag om machtiging tot verblijf nog in behandeling is.

De heer Mbombo, Congolees, verblijft als asielzoeker in België. In juni 2006 dient hij een aanvraag in om machtiging tot verblijf. In november 2006 wordt de heer Mbombo vader van een zoon, die de Belgische nationaliteit heeft. Hij deelt dit ook mee aan de dient Vreemdelingenzaken om zijn aanvraag tot verblijf te vervolledigen. Na een negatieve beslissing op zijn asielaanvraag ontvangt de heer Mbombo in april 2007 een bevel om het grondgebied te verlaten. Op zijn aanvraag om machtiging tot verblijf heeft hij echter nog geen antwoord gekregen. Aansluitend bij zijn klacht, beveelt de federale Ombudsman aan om het bevel om het grondgebied te verlaten, in te trekken en zijn aanvraag om verblijf te onderzoeken.

- In januari 2008 sprak de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich eveneens uit over de situatie van de staatlozen. De Raad bevestigde in dezelfde zin als onze aanbeveling van 2006 dat de dienst Vreemdelingenzaken zijn beslissingen onvoldoende motiveert wanneer hij een staatloze verzoekt om terug te keren naar zijn land van herkomst (sic) om er een visum via consulaire weg te verkrijgen. In dit geval trok de dienst Vreemdelingenzaken nog geen lering uit deze rechtspraak.


3. Volhouden is de boodschap wanneer de administratie een reglementering niet correct toepast.


Bij de klachten over het toepassen van de reglementering kunnen we twee categorieën onderscheiden: er zijn de klachten die voortvloeien uit een verkeerde of betwistbare interpretatie van de reglementering door de administratie en er zijn de klachten die het resultaat zijn van vergissingen bij de toepassing van de reglementering. Om deze laatste soort klachten te voorkomen moeten meestal praktische oplossingen gezocht worden. Voor de eerste daarentegen is overredingskracht en volharding nodig ...

De registratierechten


Bij de gelijktijdige aankoop van aanpalende woningen die elk een kadastraal inkomen van maximum 745 euro hadden, ging de administratie er van uit dat geen van beide woningen het voordeel van het verlaagd tarief inzake registratierechten kon krijgen als de som van de kadastrale inkomens groter was dan 745 euro en de koper het voornemen had om beide woningen te verenigen.

Volgens de administratie sloot de (gelijktijdige) aankoop van het ene huis het voordeel van het verlaagde tarief voor het andere huis uit en omgekeerd. De achterliggende redenering was dat de koper op het ogenblik van de aankoop van het ene huis reeds eigenaar is van het andere, omdat de aankoop tegelijkertijd gebeurt ...

De heer Baerdemaeker koopt in Luik twee huisjes naast elkaar. Het ene heeft een kadastraal inkomen (KI) van 490 euro en het andere een van 689 euro. Voor het eerste betaalt hij 35 000 euro voor het tweede 75 000 euro. Hij koopt beide huizen op hetzelfde moment en is van plan zijn domicilie te nemen in het huis met het KI van 689 euro. Hij verwacht dan ook dat hij op de aankoopprijs van dit laatste huis 6% registratierechten of 4 500 euro zal moeten betalen. Voor het andere huis zal hij, overeenkomstig de reglementering inzake registratierechten wel 12,5% moeten betalen of 4 375 euro. Bij het verlijden van de akte betaalt hij 8 875 euro aan registratierechten aan het bevoegde Registratiekantoor.
Groot is zijn verbazing als blijkt dat hij 4 875 euro bijbetalen moet omdat ook op het huis met het KI van 689 euro blijkbaar het tarief van 12,5% registratierechten van toepassing is. De heer Baerdemaeker is daarmee niet akkoord en legt zijn dossier voor aan de federale Ombudsman. Na onderzoek blijkt dat de interpretatie van de wetgeving door de administratie niet correct is en moet de heer Baerdemaeker de bijkomende registratierechten niet betalen.

Dit was een onredelijke interpretatie van de wetsbepaling. Volgens ons moest in die situatie minstens één van de woningen recht geven op het verlaagde tarief en wij konden de administratie hiervan overtuigen. Het standpunt dat tot hiertoe door de betrokken dienst werd ingenomen, zal gewijzigd worden.

4. Het is onaanvaardbaar dat de administratie volhardt in een houding die duidelijk ingaat tegen de rechten van de mens en tegen het hoger belang van het kind


Het verblijf van ouders van Belgische kinderen


In het licht van de fundamentele rechten is de manier waarop de dienst Vreemdelingenzaken de éénoudergezinnen behandelt zorgwekkend, meer bepaald als een buitenlandse ouder alleen instaat voor het onderhoud en de opvoeding van zijn Belgische kinderen en de regularisatie van zijn verblijf vraagt.

De dienst Vreemdelingenzaken weigert de aanvraag om verblijf van deze ouder te onderzoeken wanneer hij niet kan aantonen dat de andere (Belgische) ouder een daadwerkelijke band heeft met zijn kind. Deze weigering houdt een ernstige en onevenredige inbreuk in op het privé- en gezinsleven van de betrokkenen en meer in het bijzonder op de rechten van de betrokken kinderen.

Niet enkel erkent de dienst Vreemdelingenzaken dat hij zich bij het onderzoek van de band tussen het kind en zijn Belgische ouder steunt op zijn 'innerlijke overtuiging' (sic!), met alle risico's van vergissingen of van onredelijke beoordelingen van dien. Maar ook, en vooral, schendt deze praktijk verschillende fundamentele rechten die gewaarborgd zijn door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

De houding van de dienst Vreemdelingenzaken komt er immers op neer dat de buitenlandse ouder die voor zijn kind zorgt niet in België mag blijven, terwijl de Belgische ouder er helemaal niet voor zorgt.

Zelfs als de dienst Vreemdelingenzaken beweert dat het geen Belgische kinderen het land uitzet, dan stelt zijn beslissing de buitenlandse ouder (vaak de moeder) in de onmogelijkheid om een beslissing te nemen die in het belang van het kind is:

- ofwel schikt hij zich naar de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken en ziet hij zich verplicht om zijn kind mee te nemen, omdat de andere ouder er zich toch niet mee bezig houdt ... wat de facto neerkomt op een schending van het verbod om eigen onderdanen uit te wijzen en het ontnemen van de economische en sociale rechten waarvan het Belgische kind in België geniet;

- ofwel blijft hij illegaal op het grondgebied, waarbij zijn precaire administratieve situatie hem niet toelaat om tegemoet te komen aan de meest elementaire behoeften van zijn kind.

Wij richtten een aanbeveling aan de dienst Vreemdelingenzaken om zijn houding te herzien en hopen dat we deze keer niet meer hoeven te wachten op een veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

5. De achterstand bij de administratie blijft een hoofdbekommernis van de burger


De termijn voor de terugbetaling van medische kosten aan oorlogsveteranen wordt steeds langer


Vroeger betaalde het Instituut voor Veteranen de medische kosten terug binnen 4 tot 6 weken. Sinds het tweede trimester van 2007 is de terugbetalingstermijn jammer genoeg steeds langer geworden. Begin 2008 bedroeg deze 4 maanden. Eind maart 2008 was de wachttijd opgelopen tot 7 maanden. In de ontvangstbevestigingen werd het ogenblik van de vooropgestelde terugbetaling regelmatig aangepast in functie van de evolutie van de behandelingstermijn. Eind 2008 werd zelfs geen specifieke termijn voor de behandeling van de dossiers meer vermeld... Maatregelen werden genomen om de dienst te versterken, evenwel zonder vooruitzicht wanneer de normale terugbetalingstermijn opnieuw zal gerespecteerd worden.

De afslanking van de achterstand bij de dienst Humanitaire Regularisaties


In ons Jaarverslag 2006 wezen wij al op de grote achterstand bij deze dienst van de aanvragen ingediend op basis van het oude artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980. In maart 2006 moest deze dienst nog 25 448 aanvragen behandelen. Op 30 oktober 2007 waren er dat nog 16 440 en begin november 2008 bedroeg de achterstand nog slechts 6 417 dossiers.

Nu blijkt het aantal ingediende aanvragen op basis van de nieuwe procedures gebaseerd op artikel 9bis en 9ter van de wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd door de wet van 15 september 2006, toe te nemen. Daardoor blijft het totaal te behandelen dossiers ten opzichte van het voorgaande jaar in november 2008 bijna hetzelfde, ongeveer 15 500. Het gaat in de nieuwe voorraad (dossiers 9bis en 9ter) wel om jongere dossiers en het is ook zo dat er ten opzichte van maart 2006 10 000 dossiers minder in behandeling zijn.

De achterstand bij bepaalde Kadastercontroles ...


Sinds 2005 ontvangen wij steeds meer klachten over de behandelingstermijn van de bezwaarschriften tegen de vaststelling van het kadastraal inkomen.

Het is in een aantal Kadastercontroles niet uitzonderlijk dat de belastingplichtigen verschillende jaren moeten wachten vóór er een beslissing genomen wordt. De huidige initiatieven, hoewel ze zeker goed bedoeld zijn, volstaan duidelijk niet om ervoor te zorgen dat een bezwaarschrift binnen een redelijke termijn behandeld wordt.

De achterstand bij de dossierbehandeling en het feit dat het niet mogelijk is om aan de belastingplichtige een betrouwbare behandelingstermijn mee te delen, stroken niet met de eisen die aan een transparante en een doeltreffende administratie worden gesteld. Zij tasten het vertrouwen van de burger in de administratie ernstig aan.

In maart 2006 dient de heer Schalie een bezwaarschrift in tegen het kadastraal inkomen dat aan zijn huis toegekend werd. Ook tegen het bedrag van de onroerende voorheffing 2006, berekend op het betwiste kadastraal inkomen, dient hij bezwaar in. Wanneer hij de aanslag in de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2007 ontvangt, heeft hij, behalve een ontvangstmelding, nog steeds geen nieuws over de behandeling van het bezwaarschrift tegen zijn kadastraal inkomen. Hij moet nu, om zijn rechten te vrijwaren opnieuw bezwaar indienen tegen de aanslag in de onroerende voorheffing voor 2007. Eind 2007 verneemt de heer Schalie dat de Kadastercontrole nog de bezwaarschriften van 2002 en 2003 aan het behandelen is. De behandelende ambtenaar bij het Kadaster belooft hem dat zijn bezwaarschrift tegen mei 2008 zal behandeld worden. De heer Schalie gelooft er niets van. En toch... eind mei ontvangt hij zijn beslissing.

Wij richtten dit jaar dan ook twee aanbevelingen aan de administratie, de ene om de behandelingstermijnen te verkorten en de andere om een inhaalplan uit te werken om komaf te maken met de achterstand.

... en bij bepaalde Gewestelijke Directies der Directe Belastingen


Een gelijkaardige situatie doet zich voor bij een aantal Gewestelijke Directies der Directe Belastingen bij de behandeling van aanvragen tot vermindering van de onroerende voorheffing.

In de standaardontvangstmelding staat dat de administratie alles in het werk stelt om het bezwaarschrift zo snel mogelijk te behandelen. Er wordt benadrukt dat als er binnen een termijn van zes maanden geen beslissing genomen wordt, de belastingplichtige zich tot de rechtbank van eerste aanleg kan wenden, maar dat is geen verplichting. Men kan altijd gewoon de beslissing van de administratie afwachten.

Burgers moeten vaak maanden wachten, soms zelfs jaren, vóór de administratie over hun bezwaarschrift beslist. Al die tijd blijven zij in het ongewisse of zij binnenkort een beslissing mogen verwachten of dat dit nog wel even kan duren. Deze lange behandelingstermijn verplicht heel wat belastingplichtigen om elk jaar opnieuw een bezwaarschrift in te dienen tegen de onroerende voorheffing omdat ze nog steeds geen administratieve beslissing hebben ontvangen over het bezwaarschrift dat ze het jaar voordien om dezelfde reden ingediend hebben.

Wij hebben dit jaar twee aanbevelingen aan de administratie gericht, enerzijds om de behandelingstermijnen in te perken en anderzijds om de achterstand op een gestructureerde wijze weg te werken.

Klaarheid over de behandeltermijnen


Afgezien van de opgelopen achterstand bij een dienst, stelt de federale Ombudsman zich ernstig vragen bij het totale gebrek aan informatie naar de burger toe over de behandeltermijn van zijn dossier. Net zoals wij dit in 2002 aankaartten voor de Directie-generaal Personen met een Handicap of in 2006 voor de dienst Vreemdelingenzaken en in 2008 zowel bij het Instituut voor Veteranen, als bij bepaalde Kadastercontroles en bij bepaalde Gewestelijke Directies der Directe Belastingen, komt er een ogenblik waarop de achterstand in een dienst zo groot geworden is dat de ambtenaren er geen flauw vermoeden meer van hebben wanneer de administratieve beslissing zal genomen worden waarop de burger wacht.

Bovenop de aanbevelingen die wij richtten aan de bedoelde diensten om hun achterstand weg te werken en te ijveren voor redelijke behandeltermijnen, wilden wij met onze algemene aanbeveling van 2006 (AA 06/01) een betere informatieverstrekking verzekeren.

Het is ontoelaatbaar dat een administratie die de dienstverlening hoog in het vaandel draagt en die prat gaat op haar transparantie, zich tevreden stelt met de loutere melding aan de burger dat het geen idee heeft wanneer zijn dossier zal behandeld worden. Administratieve transparantie vereist immers dat het bestuurlijk optreden voorzienbaar is en dat de administratie bereid is verantwoording af te leggen over zijn werking.

Om deze reden hebben wij in 2006 aanbevolen om, door een aanvulling van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, alle federale administraties te verplichten de termijn mee te delen waarbinnen een beslissing zal genomen worden. Net zoals de naam, de hoedanigheid, het adres en het telefoonnummer van de contactpersoon die inlichtingen kan verstrekken over het dossier, is de vermoedelijke behandelingstermijn een noodzakelijke vermelding om de burger op een duidelijke en objectieve wijze inzage te geven in de werking van de federale administratieve overheden. Deze aanbeveling verdient nog steeds een prioritaire behandeling.

6. Rechtszekerheid en zorgvuldigheid leiden tot vertrouwen


Rechtszekerheid houdt in dat het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn. De rechtsgevolgen moeten kunnen worden ingeschat en men moet kunnen vertrouwen op een zekere standvastigheid bij het bestuur. Het bieden van rechtszekerheid houdt op die manier in dat bepaalde grenzen worden gesteld aan de bestuurlijke vrijheid.

Het bieden van rechtszekerheid hangt vaak samen met de naleving van andere ombudsnormen. Meer rechtszekerheid kan geboden worden door meer informatie te geven, door een wettelijke basis te geven aan bepaalde bestuurlijke handelingen, door zorgvuldiger op te treden, ...

Het bieden van rechtszekerheid is bovendien uitermate belangrijk voor het vertrouwen van de burger in de overheid.

De gevolgen van de feitelijke scheiding op de belastingberekening


De feitelijke scheiding kan een invloed hebben op de manier waarop de belastingen berekend worden. Maar vanaf wanneer is men feitelijke gescheiden? Het aanvangsmoment van de feitelijke scheiding kan iets anders zijn voor de betrokkene, voor de rechter, voor de fiscus... Het is in de eerste plaats een feitenkwestie.

De fiscus bekijkt het eenvoudig. In de praktijk beschouwt hij de partijen als feitelijk gescheiden vanaf de datum van nieuwe inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente waar ze hun nieuwe afzonderlijke woonplaats hebben. Dat is objectief controleerbaar. Dat de fiscus de datum van nieuwe inschrijving in het bevolkingsregister als uitgangspunt neemt, wordt vooraf echter nergens expliciet vermeld.

Mevrouw De Meester leeft sinds 23 juni 2004 feitelijk gescheiden van haar echtgenoot, na een vonnis van de vrederechter van 16 juni 2004. Haar man verhuist, maar past zijn domicilie niet onmiddellijk aan. In januari 2005 past het gemeentebestuur het adres van haar echtgenoot ambtshalve aan.
Voor aanslagjaar 2006 dient mevrouw De Meester een afzonderlijke aangifte in. Ze vermeldt hierop dat ze sinds juni 2004 feitelijk gescheiden is. In mei 2007 ontvangt ze echter tot haar verbazing een gezamenlijke aanslag op naam van haar echtgenoot en haarzelf.
Ze dient een bezwaarschrift in omdat een aantal gegevens volgens haar niet correct zijn en telefonisch informeert ze vooraf ook bij de belastingdienst of ze geen afzonderlijke aanslag kan krijgen gezien haar feitelijke scheiding sinds juni 2004. Ze krijgt hierop een negatief antwoord. Het bezwaarschrift wordt afgewezen en mevrouw De Meester contacteert een fiscalist. Pas op dat ogenblik verneemt ze dat ze eigenlijk ook bezwaar had kunnen maken tegen de gezamenlijke aanslag en in verband met de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding bijkomende bewijzen had kunnen voorleggen. Omdat ze voortgegaan is op wat haar telefonisch was meegedeeld, heeft ze dat echter niet gedaan en nu is het te laat. De bezwaartermijn is verstreken. Nu moet mevrouw De Meester onderling overeenkomen met haar man wie welk deel van de belasting zal betalen.

Vanuit de bekommernis om de rechtszekerheid voor de feitelijk gescheiden belastingplichtigen te verhogen stelden wij de administratie voor om de toelichting bij de belastingaangifte te verduidelijken, door er in te vermelden dat de begindatum van de feitelijke scheiding in principe de datum van inschrijving van het nieuwe adres in het bevolkingsregister is, en dat bij de opgave van een andere datum in de belastingaangifte het bewijs moet geleverd worden van de werkelijkheid van de feitelijke scheiding en het duurzame en ononderbroken karakter ervan.

De administratie weigerde om op dit voorstel in te gaan. Vooreerst vreesde zij dat de Toelichting te dik en onoverzichtelijk zou worden als er steeds meer bijkomende informatie in opgenomen wordt. Evenzo, en dit is veel fundamenteler, wil de fiscus uit vrees voor misbruiken niet expliciet verwijzen naar de voorwaarde van een nieuwe inschrijving in het bevolkingsregister.

De federale Ombudsman kan het met dit laatste standpunt niet eens zijn. Rechtszekerheid en transparantie moeten primeren op het risico van mogelijke kwade trouw van de belastingplichtige. De onduidelijkheid van de fiscus ten aanzien van de feitelijk gescheiden belastingplichtigen vormt een aantasting van de rechtszekerheid.

Gewijzigde reglementering bij de omruiling van dienstencheques


Via een systeem met dienstencheques kan een erkende onderneming werknemers in dienst nemen om activiteiten van huishoudelijke hulp thuis bij een gebruiker of daarbuiten uit te voeren.

Dienstencheques zijn slechts acht maanden geldig. Worden ze om een of andere reden niet gebruikt tijdens hun geldigheidsperiode, dan kunnen ze tot zes maanden na hun vervaldatum omgeruild worden voor nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur. Tot 1 mei 2008 was dit de algemene regel. Op 1 mei 2008 trad echter een nieuwe reglementering in werking.

Vervallen dienstencheques konden, van de ene dag op de andere, niet meer omgeruild worden. Er was geen overgangsregeling voorzien. Op korte tijd ontvingen wij 85 klachten hierover. De gebruikers van dienstencheques klaagden over de nieuwe regeling en over de gebrekkige informatie die ze hierover hadden ontvangen.

Wij kwamen tot de conclusie dat het ontbreken van een overgangsregeling, gecombineerd met een gebrekkige informatie, een schending uitmaakt van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Na onze tussenkomst bij het dienstenchequesbedrijf, de RVA en de minister van Werk heeft deze laatste de toepassing in de tijd van de nieuwe maatregel verduidelijkt. En wel zo dat de maatregel, die de mogelijkheid tot omruiling beperkt tot de geldigheidsperiode van de cheques, enkel van toepassing is op dienstencheques die uitgegeven zijn na de inwerkingtreding van de nieuwe maatregel.

Deze verduidelijking biedt een praktische oplossing voor de gebruikers, maar zou best als overgangsmaatregel in het koninklijk besluit ingeschreven worden.

De door de dienst Vreemdelingenzaken nageleefde richtlijnen bij de behandeling van regularisatieaanvragen


De rechtszekerheid is niet gewaarborgd in de huidige manier van werken van de dienst Vreemdelingenzaken. Dat is de conclusie in ons evaluatieverslag van de klachten van de hongerstakers. Deze analyse en bijbehorende aanbevingen zijn integraal opgenomen in ons jaarverslag.

De federale Ombudsman richtte de aanbeveling aan de bevoegde minister en aan de dienst Vreemdelingenzaken om de rechtsonzekerheid te beperken door de richtlijnen die de dienst Vreemdelingenzaken volgt bij de behandeling van de regularisatieaanvragen om humanitaire redenen te verduidelijken. Dit kan bij voorkeur door middel van een openbaar gemaakte rondzendbrief die regelmatig aangepast wordt van zodra er nieuwe toepassingsmodaliteiten zouden zijn uitgewerkt of wanneer de administratieve praktijk zou zijn gewijzigd.

Deze aanbeveling ligt in het verlengde van de algemene aanbeveling 2001 (AA 01/01), die een grotere transparantie en een grotere rechtszekerheid beoogde in de toepassing van de wet van 15 december 1980 door de dienst Vreemdelingenzaken.

7. De beoordelingsvrijheid van de administratie moet in alle redelijkheid toegepast worden.


In tegenstelling tot wat bij een gebonden bevoegdheid het geval is, zal de overheid bij een discretionaire bevoegdheid verschillende beslissingen kunnen nemen, al naargelang haar oordeel, mits dat oordeel binnen de grenzen blijft van de wettelijkheid en de redelijkheid. Uit de ons voorgelegde klachten blijkt dat de burger het optreden van de administratie soms als arbitrair aanvoelt wanneer zij van haar beoordelingsbevoegdheid gebruik maakt. In een aantal gevallen dringen wij dan ook aan om de elementen die de administratie bij de beoordeling in aanmerking neemt toch enigszins te verduidelijken.

Daarnaast laat de beoordelingsvrijheid van de overheid ook ruimte voor bemiddeling. Het aandeel van geslaagde bemiddelingen in het resultaat van de tussenkomst van de federale Ombudsman is niet te verwaarlozen

De maatregelen bij de invordering van de belastingen


De Ontvangers der belastingen staan in voor de invordering van de belastingen. Als rekenplichtige van de Staat zijn zij daar persoonlijk geldelijk verantwoordelijk voor.

Als de belastingplichtige de verschuldigde belasting niet spontaan betaalt binnen de vooropgestelde betaaltermijn - bijvoorbeeld omdat hij ze als gevolg van financiële moeilijkheden niet kan betalen - dan beschikt de Ontvanger over verschillende middelen om die belasting te innen. Hij kan een afbetalingplan toestaan of hij kan een gerechtsdeurwaarder inschakelen om over te gaan tot een gedwongen invordering ... Hij kan kiezen welke van die middelen hij aanwendt, of hij ze aanwendt en wanneer. Hij beschikt met andere woorden over een discretionaire bevoegdheid.

Niettemin moet hij bij de uitoefening van deze bevoegdheid, net als elke andere openbare dienst, de beginselen van behoorlijk bestuurlijk handelen naleven. De ingestelde vervolgingen mogen geen buitensporige kosten voor de belastingplichtige met zich meebrengen, zo uit het dossier blijkt dat deze vrijwillig meewerkt en dat de schuld op korte termijn zal geïnd worden.

Mevrouw De Vissere krijgt eind november 2007 haar aanslagbiljet voor aanslagjaar 2007. Ze moet voor 28 januari 2008 6 624,70 euro betalen aan de fiscus. Het is nog maar van maart 2007 geleden dat ze haar aanslagbiljet voor aanslagjaar 2006 ontvangen heeft. Voor de 2 315,62 euro die ze voor dat aanslagjaar moest betalen, heeft ze een afbetalingsplan gekregen. In vier maanden heeft ze die belastingschuld afbetaald. Als ze voor de belastingsschuld van 6 624,70 euro opnieuw een afbetalingsplan vraagt, krijgt ze dat niet omdat ze voor het vorig aanslagjaar en voor aanslagjaar 2004 reeds een afbetalingsplan kreeg...
De afgelopen jaren heeft mevrouw De Vissere vijf heelkundige ingrepen moeten ondergaan, ze heeft heup- en schouderprothesen en kan niet zonder huishoudelijke hulp. Ze ontvangt een invaliditeitsuitkering met een supplement van haar werkgever. Als gevolg van haar situatie heeft ze financiële moeilijkheden. Ze heeft al verschillende leningen afgesloten. Bovendien heeft ze in 2007 twee aanslagbiljetten ontvangen...
Deze argumenten kunnen de Ontvanger van de belastingen niet overtuigen. Mevrouw De Visschere contacteert haar kredietinstelling. Ze kan nog maximaal een bedrag van 5 800 euro lenen. Begin maart 2008 betaalt ze de 5 800 euro en vraagt voor de resterende 824,70 euro een afbetalingsplan voor vier maanden. Ook dat wordt haar geweigerd. Daarna betaalt ze op 27 maart 2008 nogmaals 441,42 euro, wat haar belastingschuld op een kleine 400 euro brengt, die ze ook zo snel mogelijk tracht te betalen.
Begin april 2008 beslist de ontvanger echter om de deurwaarder in te schakelen om dat resterende bedrag in te vorderen. De kosten voor het dwangbevel ten belope van 150 euro komen ten laste van mevrouw De Vissere. Haar schuld bedraagt nu 550 euro ...

De administratie wou de vervolgingskosten enkel kwijtschelden wanneer er een fout of een vergissing gemaakt was door de Ontvanger. Een constructief overleg kon de fiscale administratie overtuigen om, als de ombudsnormen 'redelijkheid' of 'evenredigheid' en 'zorgvuldigheid' geschonden werden, de ontlasting van de vervolgingskosten door de Gewestelijke Directie te laten overwegen in het licht van het volledige concrete dossier.

Sancties opgelegd aan werklozen


Onterecht ontvangen werkloosheidsuitkeringen moeten onverwijld worden terugbetaald en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan beslissen tot een uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende verschillende weken.

Zijn er evenwel omstandigheden die een tussenkomst van de federale Ombudsman verantwoorden? Een bemiddeling kan aangewezen zijn als de administratie niet op de hoogte was dat de foute aangifte werd ingediend door een mentaal mindervalide.

De heer De Creemer heeft in 2005 een aantal dagen gewerkt, maar heeft die niet aangeduid op zijn controlekaart, zodat hij voor die dagen ook werkloosheidsuitkering ontvangen heeft. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) komt hierachter en vordert de ten onrechte uitbetaalde uitkering terug. De heer De Creemer wordt ook voor vier weken uitgesloten. Maar, de heer De Creemer is mentaal mindervalide en het tehuis waar hij verblijft neemt contact op met de federale Ombudsman. Natuurlijk moet hij de werkloosheidsuitkering terugbetalen, maar een uitsluiting voor vier weken ... dat vindt het tehuis toch enigszins overdreven. De heer De Creemer heeft die werkdagen helemaal niet opzettelijk voor de RVA verzwegen. Na tussenkomst van de federale Ombudsman bleek de RVA niet op de hoogte te zijn van de mentale toestand van de heer De Creemer. De RVA is bereid om de sanctie te beperken tot een verwittiging en maakt de uitsluiting ongedaan.

III. Aanbevelingen 2008

III.a. Aanbevelingen voor het Parlement

Dit jaar legt de federale Ombudsman 3 aanbevelingen voor aan het Parlement.

1. Wie betaalt of krijgt wat ?


Belastingplichtigen die gezamenlijk belast moeten worden, ontvangen één aanslagbiljet. Zij kunnen hieruit niet opmaken wat hun persoonlijk aandeel is in de belasting of in de belastingteruggave.

Soms moet echter duidelijk bepaald worden wie hoeveel van de gezamenlijke belasting krijgt of moet betalen. Bijvoorbeeld bij een feitelijke scheiding of wanneer een  van de twee belastingplichtigen eigen schulden heeft. Kortom, wanneer beide belastingplichtigen niet langer gezamenlijke, maar strikt gescheiden financiële belangen hebben.

Als zij het onderling niet eens raken over de belastingverdeling of als de verdeling die zij voorstellen niet aanvaard wordt door de fiscus, dan hanteert de administratie een verdeelsleutel die in 1991 vastgelegd werd in een circulaire en stuurt in de meeste gevallen een voorstel van verdeling naar de belastingplichtigen. Gaan zij akkoord, dan is er geen probleem. Maar als zij de verdeelsleutel en de bedragen op allerlei punten in vraag stellen dan zou de fiscus op zoek moeten gaan naar een correcte alternatieve verdeling die rekening houdt met de rechten die ieder van hen kan putten uit het burgerlijk recht en het belastingrecht.

Wie bijvoorbeeld het meeste bedrijfsvoorheffing betaald heeft, wil de grootste teruggave. Wie de kinderen ten laste gehad heeft, wil het fiscaal voordeel daarvan niet afstaan. Zo kunnen er nog heel wat punten van discussie aangehaald worden waarvoor aan de administratie een sluitende uitleg of een oplossing gevraagd wordt. Telkens wanneer het resultaat van de verdeelsleutel lijkt af te wijken van het aangenomen huwelijksvermogensstelsel, van oorspronkelijk gemaakte keuzes op de aangifte, van feitenkwesties, enz ... heeft elke belastingplichtige wel een argument om de verdeling van de belasting te betwisten.

Zolang het gaat om een louter administratieve verdeelsleutel vastgelegd in een circulaire en instructies, is deze administratieve verdeelsleutel bindend voor de administratie, maar niet voor de belastingplichtige en dat leidt tot problemen. De wetgever gaf er trouwens in art. 394, §4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 92) duidelijk de voorkeur aan om de materie bij koninklijk besluit te regelen.

Een koninklijk besluit is dan ook het aangewezen middel om een verdeelsleutel te bepalen die rekening houdt met de recente evoluties van het fiscaal en burgerlijk recht, waarbij het eindresultaat aan alle betrokken partijen tegenstelbaar is.

Het stilzitten van de overheid bestendigt de rechtsonzekerheid in deze materie en is daarom niet te verantwoorden.

Algemene aanbeveling 08/01

Er moet een koninklijk besluit komen dat, in het geval van een gezamenlijke aanslag, vastlegt hoe het gedeelte van de belasting vastgesteld wordt dat betrekking heeft op het belastbaar inkomen van elk der belastingplichtigen.

2. Gehuwd of niet ?


Soms moeten verschillende overheden zich uitspreken over eenzelfde buitenlandse authentieke akte. Volgens het Wetboek internationaal privaatrecht (WIPR) kunnen ze onafhankelijk van elkaar beslissen om die akte al dan niet te erkennen.

De erkenning gebeurt van rechtswege door om het even welke overheid en zonder enige ingewikkelde procedure. Dat is de positieve kant van de zaak. Het systeem mondt in een aantal situaties echter uit in de erkenning van een buitenlandse akte door een overheidsdienst, terwijl een andere weigert om dezelfde akte te erkennen.

Zo kan het voorkomen dat een ambtenaar van de burgerlijke stand de buitenlandse akte van het huwelijk tussen een Belg en een vreemdeling die in het buitenland woont, overschrijft in de registers van de burgerlijke stand en de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) nadien weigert om een visum gezinshereniging toe te kennen aan de echtgenoot die nog steeds in het buitenland verblijft. Dit gebeurt als de DVZ meent dat de akte geen uitwerking kan hebben in de Belgische rechtsorde.

Met deze tegenstrijdige beslissingen valt moeilijk te leven en enkel de Rechtbank van eerste aanleg kan definitief uitsluitsel geven over de geldigheid van de authentieke akte binnen het Belgisch recht. De procedure voor de rechtbank, die vaak pas na maanden van onzekerheid wordt aangevat, kan lang aanslepen en ook de kosten kunnen oplopen. Bovendien houden een aantal rechtbanken er een verschillende lezing van het WIPR op na.

Nog zorgwekkender is de situatie van de vreemdelingen die als partner, op basis van een visum gezinshereniging naar België komen. In dat geval heeft de DVZ reeds onderzocht of alle voorwaarden voor de gezinshereniging vervuld zijn en is dus ook de huwelijksakte al door de DVZ erkend. De partner moet zich bij zijn aankomst in België aanbieden bij de gemeente om een aanvraag tot verblijf in te dienen. Na controle van de woonplaats reikt de gemeente dan in principe onmiddellijk de verblijfsvergunning uit, overeenkomstig de vreemdelingenwet.

Van sommigen weigert de gemeente echter om de aanvragen te noteren of om ze in overweging te nemen, met name als ze twijfelt aan de geldigheid van de huwelijksakte. Hoewel deze mensen op basis van een geldig visum gezinshereniging naar België gekomen zijn, krijgen ze geen verblijfsvergunning. Ofwel hebben ze in dat geval helemaal geen document in handen (als de gemeente hen mondeling meedeelt dat ze de aanvraag niet wil noteren) ofwel krijgen ze een beslissing tot weigering van in overwegingname van hun aanvraag. Deze beslissing opent evenmin een recht op verblijf of enig ander recht dat uit dat verblijf zou kunnen voortvloeien (recht op werk, sociale zekerheid ...).

Beide houdingen zijn in strijd met de vreemdelingenwet. Die wet laat in geen geval toe dat een gemeente een aanvraag niet noteert. En ten tweede kan een beslissing tot weigering van inoverweginname enkel genomen worden als de aanvrager geen gelegaliseerde huwelijksakte voorlegt. In het geval dat ons zorgen baart, legt hij die wel voor, maar twijfelt de gemeente aan de geldigheid ervan en vraagt, alvorens er zich definitief over uit te spreken, het advies van het Parket dat er vaak maanden over om zijn advies te geven.

Zolang de gemeente het advies van het Parket niet ontvangen heeft, past ze de vreemdelingenwet niet  toe. Die verplicht haar nochtans om de vreemdeling in te schrijven in het vreemdelingenregister en om hem een verblijfsvergunning uit te reiken zodra zijn woonplaats gecontroleerd is. Echter, het Wetboek internationaal privaatrecht verplicht de gemeente anderzijds om de geldigheid van de huwelijksakte na te gaan en verbiedt om de partner intussen in te schrijven in het vreemdelingenregister!

Omdat ze niet uit het dilemma raken, kiezen sommige gemeenten ervoor om de aanvraag tot verblijf zelfs niet te noteren, waardoor de buitenlandse partner in een rechteloze situatie terecht komt. Hij is dan in België zonder verblijfsvergunning, terwijl de DVZ zijn huwelijk heeft erkend!

Deze situatie schendt de grondrechten van de partners. Meer bepaald wordt hun recht op bescherming van het gezinsleven miskend dat gewaarborgd is door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Ze werkt bovendien ook rechtsonzekerheid in de hand en maakt een inbreuk uit op het gewettigde vertrouwen.

Algemene aanbeveling 08/02

Het recht op respect voor het familie- en gezinsleven zoals voorzien in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden, moet effectief beschermd worden.  Dit houdt onder meer in dat de buitenlandse partner die met een geldig visum gezinshereniging naar België komt niet in een toestand van rechteloosheid geplaatst mag worden, eens hij in België is. Daarom beveelt de federale Ombudsman aan om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de tegenstrijdigheid op te heffen die voortvloeit uit de gezamenlijke toepassing van de vreemdelingenwet en van artikel 31 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.

 

3. Uit de echt gescheiden of niet ?


Ambtenaren van de burgerlijke stand van twee verschillende gemeenten kunnen er een andere mening op nahouden wat de erkenning van één welbepaalde authentieke akte betreft. Neem het voorbeeld van een koppel van Marokkaanse origine dat in België feitelijk gescheiden leeft en in twee verschillende gemeenten woont. Zij hebben hun huwelijk in Marokko laten ontbinden door verstoting. Eén van de ambtenaren van de Burgerlijke Stand stemde er mee in om de vrouw als uit de echt gescheiden te aanzien (zij kan dus opnieuw huwen), terwijl de gemeente van de man weigert om de verstoting als echtscheiding te erkennen. Hij kan dus niet opnieuw trouwen in België en ... als hij in Marokko hertrouwt, zal zijn nieuwe echtgenote geen visum gezinshereniging krijgen.

In die omstandigheden creëert de overheid totale rechtsonzekerheid en draagt er de volledige verantwoordelijkheid voor.

Meer nog, wanneer een gemeente weigert een akte over te schrijven in de registers van de burgerlijke stand of weigert het huwelijk of de echtscheiding in te schrijven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, betekent ze geen formeel gemotiveerde beslissing aan de betrokken persoon. Hij krijgt geen informatie over de precieze reden waarom zijn buitenlandse akte niet kan erkend worden. Het ontbreken van een formeel gemotiveerde beslissing is in strijd met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Algemene aanbeveling 08/03

Tegenstrijdige beslissingen van ambtenaren van de burgerlijke stand over de al dan niet erkenning van een authentieke buitenlands akte moeten onmogelijk gemaakt worden. Daarom beveelt de federale Ombudsman beveelt aan dat de Minister van Justitie richtlijnen zou opstellen die enerzijds een uniforme toepassing garanderen van artikel 31 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht en anderzijds de formele motivering verzekeren van de beslissingen tot weigering van een vermelding op de kant van een akte van de burgerlijke stand, van overschrijving in een bevolkingsregister of van de inschrijving, op basis van die akte, in bevolkings-, vreemdelingen- en wachtregister.

 

III.b. Aanbevelingen aan de administratie 

In 2008 richtte de federale Ombudsman acht aanbevelingen aan de administratie.

En aanbeveling gericht aan de administratie (officiële aanbeveling) wil, voor welbepaalde aandachtspunten, aanzetten haar werking aan te passen of te verbeteren. Om de aanbeveling kracht bij te zetten, ontvangt de verantwoordelijke minister er een kopie van.

Dit zijn de aanbevelingen:

  • aan de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen:

OA 08/01:
Aan de gemeentebesturen de nodige instructies te geven voor de verlenging - automatisch en conform de rondzendbrief van 21 juni 2007127 - van de attesten van immatriculatie van de hongerstakers in de Koningstraat en in Vorst, in afwachting van een gemotiveerde beslissing van de DVZ over hun aanvragen om machtiging tot verblijf om medische redenen.

OA 08/02:
Erover te waken dat de aanvragen om machtiging tot verblijf van vreemdelingen, in het algemeen en ongeacht de omstandigheden, behandeld worden met eerbiediging van de legaliteit.

OA 08/03:
De rechtsonzekerheid te reduceren door de richtlijnen die gevolgd worden door de dienst Vreemdelingenzaken bij de behandeling van de regularisatieaanvragen om humanitaire redenen te verduidelijken, bij voorkeur door middel van een openbaar gemaakte rondzendbrief die regelmatig aangepast wordt van zodra er nieuwe toepassingsmodaliteiten zouden zijn uitgewerkt of de administratieve praktijk zou zijn gewijzigd. Deze aanbeveling ligt in het verlengde van de algemene aanbeveling AA 01/01, die een grotere transparantie en een grotere rechtszekerheid beoogde in de toepassing van de wet van 15 december 1980 door de dienst Vreemdelingenzaken.

  • aan de FOD Financiën

OA 08/04:
De bezwaarschriften tegen de vaststelling van het kadastraal inkomen te behandelen binnen de redelijke termijn voorzien in artikel 4 van het Charter voor een klantvriendelijke overheid, met name 4 maanden tot 8 maanden en, in voorkomend geval, te verlengen met de termijn die de betrokkene nodig had om de door de diensten van het Kadaster gevraagde informatie te verschaffen, die nodig is om een beslissing te nemen.

OA 08/05:
In alle lopende dossiers zijn informatieplicht na te komen en de gelijke behandeling van de belastingplichtigen te verzekeren, door een plan met deadlines in te voeren voor het inhalen van de achterstand bij de behandeling van de bezwaarschriften over de vaststelling van het kadastraal inkomen bij de Kadasterdirecties waar de situatie zorgwekkend is.

OA 08/06:
De aanvragen om vermindering van de onroerende voorheffing te onderzoeken binnen de redelijke termijn voorzien in artikel 4 van het Charter voor een klantvriendelijke overheid, met name 4 maanden tot 8 maanden, in voorkomend geval te verlengen met de termijn die de betrokkene nodig had om de door de diensten van de Onroerende Voorheffing gevraagde informatie te verschaffen, die nodig is om een beslissing te nemen.

OA 08/07:
Een plan uitwerken met deadlines voor het inhalen van de achterstand bij de behandeling van de bezwaarschriften over de vermindering van de onroerende voorheffing bij de Gewestelijke Directies der Directe Belastingen waar de situatie zorgwekkend is.

  • aan de dienst Vreemdelingenzaken

OA 08/08:
Bij de behandeling van een aanvraag om machtiging tot verblijf gegrond op artikel 9bis of op grond van het oude artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, ingediend door een vreemde ouder van een Belgisch kind het onderzoek van de uitzonderlijke omstandigheden vereist door deze artikelen, te beperken tot het bestaan van een band tussen de vreemde ouder en zijn Belgisch kind en af te zien van het eisen van een bewijs van het bestaan van affectieve en/of financiële/materiële banden tussen het Belgisch kind van de aanvrager van regularisatie en de Belgische ouder van dit kind stop te zetten.

gepost op: 25/03/2009